Lekenpreek

gepost door op 4 sep 2012

 

Te gek dacht ik dit is eindelijk mijn kans. Als meisje mocht je geen dominee worden. Tenminste dat zei mijn broer altijd. En de uitdrukking op z’n gezicht zei en dat zal je nooit lukken ook. Hij moest dat met al z’n kracht tot mij door laten dringen omdat hij van mij gewend was dat ik overal tegenin ging. Dat was in de jaren vijftig. Eén keer beleefde ik het genot om op de preekstoel te staan. Uitverkoren op de meisjesvereniging mocht ik een stukje voorlezen in de jeugddienst. De voorgekauwde en versleten woorden bevielen mij niet en ik veranderde de tekst naar eigen inzicht. De reacties die mijn woorden teweeg brachten hebben onuitwisbare sporen in mij achtergelaten. Het heerlijke genot van de luisterende mensen met hun opgeheven gezichten in de kerkbanken en het hoge groene pluch van de kansel mocht ik slechts één keer smaken. Het lukte mijn broer wel om op vierentwintig jarige leeftijd al op de kansel te staan, als een echte dominee. ‘k Heb altijd gedacht, zie je wel oefening baart kunst. Ik behoorde in onze kinderjaren tot zijn oefenkerk. Elke woensdagmiddag  wilde hij kerkje spelen. Hij was negen en ik acht jaar oud. Mijn broer was altijd de dominee en ik moest met wat kleiner grut de gemeente zijn. Voor de duidelijkheid , mijn broer en ik komen uit een gezin van zeven kinderen. Zo’n echt heilig kerkgetal, zeven. Op zijn negende jaar was hij al rijk voorzien van organisatie talent.

Onder de zondagsochtendkerkdienst, die voor kinderen naar hun gevoel de hele zondag duurde, maakte hij aantekeningen voor zijn woensdagmiddagkerkdienst. Lustig likkend aan een stompje potlood had hij niet in de gaten dat zijn wangen en lippen de zelfde kleur kregen. Het likken ging vervolgens over op de uitgedeelde zondagse pepermunt. Hij beet met z’n zwart gekleurde tanden  de hele kingpepermunt in vier stukjes, legde ze na er even verheerlijkt aan gezogen te hebben op de zwarte kaft van z’n kleine bijbeltje en blies ze droog. In zijn warme broekzak verkleefden ze een nieuwe toekomst tegemoet. Waar ik ongelooflijk veel bewondering voor had is het feit dat hij niet zo als ik, gretig knauwend voor de dienst begon en mijn pepermunt al snel had doorgeslikt.

Daarmee veroordeelde ik mezelf om die eindeloze kerktijd met het water in mijn mond naar zijn gelik te kijken.

Maar nu na bijna vijftig jaar was het dan zo ver. Als leek mocht ik een preek houden in een echte kerk op een echte preekstoel. Mijn knieën knikten. Mijn adem stokte. Maar ik beklom waardig de kanseltrap en sloot het hekje. Hoog uitziend op de opgeheven gezichten haalde ik diep adem.

De uitgeschreven preek legde ik op de open geslagen Statenbijbel. Ik had de tekst zo groot uitgeprint zodat ik m’n leesbril niet nodig had. De tekst eigenlijk ook niet want ik kende de woorden inmiddels uit mijn hoofd. De orgelklanken stierven weg en een verwachtingsvolle stilte bleef hangen.

En mijn stem klonk en zei:

Het uitgangspunt Lucas 18:9-14 dat we net gelezen hebben wil ik toesnijden op vers 11, daar staat: De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers,onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar;

De gelijkenissen uit de bijbel zijn net als sprookjes, ‘t gaat over goed en kwaad.

Die vergelijkingen doen een beroep op je geweten. Maar wat is goed en wat is slecht? In dit verhaal komen de woorden als onrechtvaardigen, rovers en echtbrekers voor.

Als kind in onze kerk kon ik zien wie goed was, dus christelijk en wie niet. Dat had ik van de dominee gehoord. God hield van mooie dingen. Hij had ons geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Wij zijn een soort Look a Like.

Als je vroeg in de kerk was kon je de mensen stuk voor stuk zien binnen komen. Bij elk mens bedacht ik een verhaal en oordeelde ze met: gewoon, christelijk en erg christelijk. De gewone mensen kwamen niet in de hemel. Bij de christelijken wist je het niet zeker. En de erg christelijken waren er zelf van overtuigd. Zo schreed er een mooie dame binnen met een halve vos om haar nek en een prachtige hoed met pauwenveren. Die hoorde er bij dacht ik met mijn kinderbrein. Ze zorgde zelfs voor de helft van de vos. Zou ze het beest van Simon de Stroper hebben? Wat zou er met de andere helft gebeurd zijn? Was een Stroper nou hetzelfde als een Rover? De dame knikte vriendelijk naar mij en haar gezicht straalde van voldoening en zekerheid. In het voorbij gaan golfde er een heerlijke bloemengeur met haar mee. Zo moest het ook in de hemel zijn fantaseerde ik. Dan nog omgeven door de parfumgeur, kwam een mannetje aansloffen, z’n pet zenuwachtig in z’n handen ronddraaiend, z’n versleten broek vol vlekken, keek hij schichtig om zich heen. Net voor hij in de bank glipte had de bloemengeur al plaatsgemaakt voor een indringende vislucht. De mensen die al in de bank zaten schoven wat verder weg. Die hoort er zeker niet bij dacht ik zo kon je zeker niet in de hemel komen. God hield van schoonheid zei de dominee. Daarom zat ik goed gewassen zondags al heel vroeg, stijf rechtop in de kerkbank. Ik ben blij dat ik niet naar vis stink dacht ik en deed eerbiedig mijn schone handen samen.

Ik genoot even van mijn uitzicht en de verwachtingsvolle gezichten ziende nam ik rustig een slokje water en vervolgde:

Mijn vader was rechtvaardig volgens mijn Opa. Op een zondag was het bevestigen van ouderlingen. De mannen moesten beloven om ‘met goede raad de dienaar des Woords behulpzaam te zijn’. Ik las het formulier mee uit m’n bijbeltje. Ze moesten ‘raad en troost geven en naarstig de wacht houden tegen de wolven die in de schaapskooi van Christus zouden komen’. Daar kon ik me wel wat bij voorstellen want wie kende het verhaal niet van de wolf en de zeven geitjes. Na hun goedmoedig ‘Ja’ moesten we de mannen toezingen. In onze kerk hingen twee borden waar de koster met krijt de te zingen psalmen op schreef.

Psalm 135:1 paste bij deze gebeurtenis.

Prijst de naam van uwen God,

‘s Heren knechten hier vergaard!

Prijst zijn naam en wijs gebod,

daar ‘g in ‘t voorhof staat geschaard,

en uw ambt bekleedt met eer

in het huis van onze Heer.

Doordat het krijtje van de koster iets was uitgeschoten leek het net of er een soort rondje achter de 1 stond. De mensen dachten daarom dat ze 135 vers 10 moesten zingen. Dus zongen ze (u kunt het nalezen in uw oude psalmboekje) vers 10.

Oren ziet men aan hun hoofd

maar zij horen er niet mee

zij, van ademtocht beroofd,

zijn nog minder dan het vee.

Die tot hen om hulp genaakt,

worde hun gelijk gemaakt.

De koster moest op het matje komen. Mijn vader wilde niet onrechtvaardig zijn. Hij zei ’we kunnen het hem niet alleen aanrekenen want we hebben met z’n allen gezongen’.

Jammer, de krijtjes zijn afgeschaft.

Het derde woord dat we tegen komen in het verhaaltje van Lucas is Echtbreken. Ze zeggen wel eens dat kinderen en oude mensen de waarheid spreken. Maar wat is de waarheid? Wat is oud? En wanneer ben je kind? Nu kun je volgens ‘het grote sprookjesboek’ de Bijbel beter kind zijn. Wat denkt een kind dat echtbreken is? Volgens kinderen die iets mogen zeggen in een bekend televisieprogramma is het heel echt iets breken. Met opzet iets kapot gooien. Niet voor de grap maar heel echt. Wat mag je niet breken? Een belofte? Een vertrouwen?

Tijdens een reüni luisterde ik naar het verhaal van een schoolvriendin. Weet jij nog dat we met ons twaalfde jaar naar catechesatie moesten? Ik knikte. We moesten de Heidelbergse catechismus uit ons hoofd leren en ook opzeggen. De dominee overhoorde ons. Toen we bij Zondag  zeven waren kreeg ik een beurt en ik dreunde: wat is een waar geloof? Een waar geloof is niet alleen een zeker weten of kennis waardoor ik alles voor waarachtig houd wat god in zijn woord geopenbaard heeft maar ook een vast vertrouwen het welk de heilige geest door het evangelie in mijn hart werkt dat niet alleen anderen maar ook mij vergeving van zonden eeuwige gerechtigheid en zaligheid…….pffff…. ik ken het nóg uit m’n hoofd… Ik keek haar aan en ze vertelde verder. Weet je nog dat ik toen mocht nablijven want dan kreeg ik iets van hem. Ja, dat weet ik nog dat kregen we allemaal als we goed waren. Ze slikte. In de consistorie, alleen met de dominee, moest ik op de tafel zitten. Ik gehoorzaamde. We gaan een spelletje doen zei hij, een test. Jij doet je ogen dicht en je handen samen en wat ik ook doe, jij zegt Zondag 7 zonder haperen op. En ik begon, wat is een waar geloof?…..zijn handen kwamen overal…… ik haperde, met mijn ogen dicht en m’n handen samen. En je kreeg niets? Nee!! Maar ik heb er wel m’n hele leven iets aan overgehouden zei ze met tranen in haar ogen.

Van de tollenaar kan iedereen zien dat hij zich te goed doet aan geld en goed van anderen dat hem niet toekomt. Maar niemand kan zien wat er in de achterkamer van het huis van de farizeeër gebeurt. Hij dankt God in het openbaar, met de schijn van heiligheid, dat hij niet is als de anderen en laat zich voorstaan op zedelijke voortreffelijkheid.

Weet iemand wie we werkelijk zijn? Wie weet de overeenkomst tussen een farizeeër en een tollenaar? Zijn ze misschien allebei mens?

Later….veel later ervaarde ik in de jeugdhulpverlening dat schijn bedriegt! Ik moest een tijdelijke opvang zoeken voor een mishandeld meisje. Een gastgezin. Ik belde de deftige dame in haar mooie villa (ze had inmiddels haar halve vosje voorgoed aan de kapstok gehangen). Nee zeg….O nee ze had geen plaats voor zo’n meisje. Laten die mensen hun eigen sores oplossen! Ik belde de dominee in de grote pastorie. Nee….hij had zijn nichtjes te logeren……Wat nu?! Een gedachte kwam in m’n hoofd. Doe iets wat niet gebruikelijk is, betreed een pad waar op je nog niet eerder hebt gelopen. De visboer en z’n vrouw waren bereidt om een bed bij te zetten op zolder. Maar zei hij:’ik weet niet of we wel goed genoeg zijn’. Het meisje, een incestslachtoffer, is helemaal op verhaal gekomen bij deze eenvoudige mensen. Ze komt nog steeds, met man en kinderen, bij hun op bezoek.

De visboer is gestorven. En zijn vrouw, in haar rolstoel, troost zich met de gedachte dat ze hem zal ontmoeten in de hemel. Dat geloof je toch zeker ook? vraagt ze aan mij. Ik glimlach en zeg ‘ja zeker’.

 

 

 

 

2 Reacties

  1. 19 mei 2013

    Beste schrijfster,
    Gaaf, heel gaaf! Is dit echt een waar gebeurd verhaal?!

    • 19 mei 2013

      Beste Maria,

      De kern van het verhaal komt uit het echte leven. Ik heb jaren in de jeugdhulpverlening gewerkt, als vrijwilliger bij een Jongeren Advies Centrum (JAC). Daar kwam ik tot de ontdekking dat je van mensen hulp krijgt waar je het niet van verwacht, die zomaar hun huis openstellen voor mishandelde jongeren.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

login