Waar gebeurd

gepost door op 4 sep 2012

 

Ontmoetingen met mensen op straat of in de supermarkt zijn vaak komisch, onverwacht en leerzaam.

Het gebeurt gewoon. Je hoeft er niets aan te doen, alleen je ogen goed open houden en de film van het leven trekt aan je voorbij.

Een druilerige dag was het en druk in de supermarkt. Er stond voor elke kassa een aardige lange rij volgeladen winkelwagentjes met daarachter ogenschijnlijk geduldig, op hun beurt wachtende mensen.

Ik  had, gelet op de inhoud van de karretjes, niet gekozen voor de kortste rij.

Voor mij stond een moeder die haar kind alvast voerde uit de rijk aangeschafte, nog af te rekenen snoepvoorraad.

De rij naast mij, die korter was, schoof toch sneller op dan ik gedacht had.

Hè jammer, zou ik nou toch nog daar achter gaan staan?

Te laat.

Een grote bult boodschappen werd al slingerend voortgeduwd door een stoer gozertje van een jaar of acht met dik gezoolde sportschoenen en een jack van een merk dat meetelde.

Z’n donkerblonde haar stond rechtop en had aan de voorkant een geblondeerde lok. Hij kauwde op een levensgrote spek, die uit de open getrokken zak kwam die boven op de bult boodschappen lag.

De kar kwam tot stilstand tegen de niet al te jonge benen van een aardige, goed geklede dame, die op haar beurt stond te wachten met drie boodschapjes in haar winkelwagentje.

“Auw, ” riep ze, keek achterom en wreef met een pijnlijk gezicht over haar kuit.

Achter de braniegozer was een jongen komen staan van een jaar of achttien, negentien. Hij had een baard van een paar dagen, afgetrapte sportschoenen van een onbekend merk, een bijna tot op de draad versleten spijkerbroek. Zijn halflange haar was bijeengebonden in een staartje met zo’n breed postbode-elastiek. De grauwgrijze jas die om hem heen slobberde was hoogbejaard en had de nostalgische, onmiskenbare snit van voor de oorlog. In z’n hand hield hij een pak yoghurt.

Het schoot niet erg op aan mijn kassa en bijna wilde ik tegen de jongen in de bejaarde jas zeggen ‘joh, wil je even voor’, toen een vrouw aan kwam lopen, haar beide armen vol met  levensmiddelen.

Ze perste ze zich tussen mij en de baardige jongen door en keek ons uitdagend aan. Haar ogen zeiden zoiets van ‘dit is tenminste nog eens boodschappen doen’.

De jongen met z’n ene pak yoghurt schoof wat naar achteren en nam geduldig z’n plaats weer in in de rij van wachtenden.

De boodschappen werden, onder het toeziend oog van het kauwende gozertje, door de vrouw bovenop de bultige kar gekiept.

Het ventje duwde een nieuwe spek in zijn mond, ging weer aan het winkelwagentje hangen en duwde het nog een keer tegen de toch al pijnlijke benen van de, nog steeds voor hem staande, wachtende dame.

“Auw zeg, dat doet echt zeer hoor,” sprak ze in keurig Nederlands en duwde de kar van de jongen iets naar achteren.

Sommige wachtenden keken op met een uitdrukking op hun gezicht van ‘wij zien het wel, maar bemoeien ons er niet mee’. De caissière had al een paar keer geërgerd opgekeken.

De stoppelbaard jongen en ik keken elkaar aan en zeiden zonder woorden ‘dit kan toch niet’. De moeder zag niets of wilde niets zien en was druk bezig een pak kauwgom open te scheuren. Mijn rij schoof een stukje op, zodat ik ter hoogte van het, naar mijn mening, ettertje kwam te staan.

De moeder van het jong verdiepte zich al kauwend in één of ander roddelblad.

Het ventje pikte kennelijk niet dat de dame zijn wagen een paar centimeter naar achter geduwd had.

Met een gluiperige blik en dezelfde kauwende bewegingen als zijn moeder zette hij zich schrap om de kar nog een keer tegen haar met spataderen versierde benen aan te duwen.

Ik moet iets doen dacht ik, maar te laat. De dame slaakte nu een kreet van pijn. De caissière kwam uit haar stoel omhoog en riep waarschuwend naar de jongen: “Hé zeg.”

Ik had zin om het  ventje een draai om z’n oren te geven of tenminste ook met een winkelwagentje tegen zijn benen te dreunen. Maar ik stond jammer genoeg in de verkeerde rij.

De dame zei met een van pijn vertrokken gezicht tegen de moeder: “Mevrouw kunt u er niet wat van zeggen?”

De moeder keek al kauwende op en zei: “O nee, daar begin ik niet aan. Hij krijgt een vrije opvoeding en heeft zelf de verantwoording voor wat hij doet.”

De uitdagende tronie van het spekkies etende ettertje had ik op dat moment graag even tussen een paar winkelwagentjes geklemd. Gelukkig schoof mijn rij een stukje op. Ik beheerste me en dwong mezelf niet meer te kijken. Net toen ik mijn eerste boodschap op de lopende band wilde leggen, ramde de jongen nog een keer tegen de benen van de al gehavende dame aan. Ze begon te huilen en iedereen keek,  behalve de kauwende, lezende moeder. Ik keek de baardige jongen aan en zei zonder woorden: “Dit pikken we niet.”

Hij antwoordde woordeloos: “Actie.”

Maakte het pak yoghurt open en goot de dikke witte brij over het hoofd van de lezende moeder.

Het mens gaf een gil. De yoghurt stroomde over haar gezicht en haar jas. De volle mond van het ettertje viel open. Bah!

Iedereen keek. De kassa’s stonden stil.

“Ben je gek geworden,” krijste de moeder.

“Nee hoor,” antwoordde de jongen rustig, “helemaal niet, maar ik heb óók een vrije opvoeding gehad en neem daarom graag de verantwoording voor mijn eigen daden.”

Ik weet niet waarom, maar ik begon spontaan te klappen en een paar anderen deden aarzelend mee.

Door het geklap heen hoorde ik de caissière zeggen: “Meneer geeft u dat lege pak maar hier, u krijgt van mij gratis een nieuwe.”

 

***********************************************************************

 

 

Auteur: Hannie van der Beek-Schoon

Gepubliceerd in Korte Verhalen bundel INTERLUDIUM ISBN 9057570203

Uitgeverij www.vleermuis.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

login