Vermist

gepost door op 19 feb 2012

Een innige omhelzing, een laatste kus. “Dag lieveling, over vijf dagen ben ik weer thuis.”

“Dag Paul, pas goed op je zelf en vergeet de malariapillen niet in te nemen.”

Christien bedwong haar tranen, elke keer was het weer moeilijk om afscheid te nemen. Hij pakte z’n handbagage en liep in de richting van de douane. Nog een zwaai, terwijl zijn lippen de woorden vormden van ‘ik hou van je’.

En weg was hij.

Ze glimlachte door haar tranen heen.

Blindelings liep ze de vertrekhal uit. Buiten gekomen snoot ze haar neus, haalde diep adem en ging richting parkeergarage. Het beklemmende, zware gevoel in haar borst wilde niet weggaan.

Een slecht voorteken.

Christien wist van zich zelf dat ze erg bijgelovig was. Met kracht verzette ze zich tegen dat gevoel. Ze zette de autoradio aan en reed terug richting Den Haag.

Paul werkte al jaren voor Buitenlandse Zaken en regelmatig vertrok hij voor langere of kortere tijd naar onbekende oorden in de vreemdste uithoeken van de aardbol. Deze keer was het Chili. Hij zou haar bellen vanuit Santiago. De naam van het hotel en het telefoonnummer lagen thuis naast de telefoon. In de dagen dat Paul weg was, belden ze altijd regelmatig met elkaar.

Ze zuchtte en draaide de auto de inrit op van het huis van haar dierbare vriendin. Ze zou er nooit aan wennen.

Het alleen zijn bleef een ware beproeving voor haar.

Vroeger toen de jongens nog thuis waren, was het gemakkelijker. Nu ze de deur uit zijn, was het stil geworden in huis. De deur zwaaide open.

“Hoi meid, kom er in,” klonk het hartelijk.

“De koffie is klaar. Is het weer zo ver? Nou, grien dan maar even.

Voor je ‘t weet staat hij weer voor je. Kom het is een gouden dag, we trekken er lekker op uit.”

Christien keek haar aan.

“Je bent een schat, precies wat ik nodig heb. Ik heb trouwens nog nooit zo’n vreemd gevoel gehad als Paul wegging,” bekende Christien.

“Naarmate je ouder wordt, krijg je met alles meer moeite,” zei haar vriendin wijs.

“Lieve Els, jij kunt het weten, want jij bent van ons tweeën de oudste,” plaagde Christien.

”Kom we gaan eens flink de stad in. Paul zit toch hoog en droog in het vliegtuig tot morgenochtend.”

“Ja, “ zei Christien, “om zes uur vanmiddag maken ze een tussenlanding op Caracas in Venezuela en dan duurt het nog eens negen uur voordat ze in Santiago aankomen.”

“Wat moet hij eigenlijk doen in Chili?”

“Dat weet je wel Els, daar zegt hij nooit iets over.”

De volgende ochtend na een slechte, onrustige nacht zat Christien de krant te lezen. De radio stond zachtjes aan, de zon scheen en alles leek er beter uit te zien dan gisteren. Op de nieuwslezer van het radiojournaal sloeg ze geen acht totdat ze de naam Santiago hoorde en iets over een Boeing 747.

Ze rende naar de radio en deed ‘m harder. Haar hart stond stil.

“Vanochtend vroeg, Nederlandse tijd, is door nog onbekende oorzaak een Boeing 747 op weg van Caracas naar Santiago voor de kust van Chili in zee gestort. Het lijntoestel van de Venezolaanse luchtvaartmaatschappij had 278 mensen aan boord, waaronder ook enkele Nederlanders. Reddingsboten zijn ter plaatse en helikopters van de kustwacht zoeken naar overlevenden. Tot nu toe zijn enkele doden geborgen.”

Als verlamd zat Christien in haar stoel.

“O Paul,” kreunde ze.

“Zie je wel. Ik wist het, had nou maar naar mij geluisterd en was pas zaterdag weggegaan.”

Ze huilde maar er kwamen geen tranen.

De telefoon ging. Ze liet ‘m rinkelen. Door de radio klonk vrolijke muziek. Ze deed ‘m uit. En op het moment dat ze naar de telefoon wilde lopen om Schiphol te bellen, ging deze weer. Ze nam op, het was Patrick, haar oudste.

“Hoi mam, hoe is het?”

Ze gaf geen antwoord.

“Ik hoorde net op de radio iets over een vliegtuig dat neergestort is op weg naar Santiago. Daar zat pappa toch niet in, hè?”

“Mam, geef eens antwoord. Pappa zou toch pas zaterdag vertrekken?”

“Hij zat in dat  toestel,” zei ze met een stem die haar vreemd ver weg in de oren klonk.

“Nee toch zeker! Mam ik bel gelijk Schiphol voor je, geef me de vluchtnummers even. Blijf rustig waar je bent. Ik bel Daniel en kom direct naar je toe.”

Op de uit Caracas overgestuurde passagierslijst stonden drie Nederlanders, waaronder Paul Galema, 49 jaar oud.

De hele dag bleef er nieuws komen en ‘s avonds waren er beelden te zien uit het rampgebied op het televisiejournaal. Het toestel was tussen de eilanden Juan Fernandez en Desventurados neergekomen. Een tamelijk ondiep gebied in de Grote Oceaan. Duikers waren bezig de slachtoffers te bergen.

Els kwam en sloot haar vriendin in de armen. Ze huilden allebei. Daniël en Patrick ondersteunden hun moeder zo goed mogelijk.

Na dagen bergingswerk waren de meeste doden geborgen. De rest werd als vermist beschouwd. Christien was woedend op de autoriteiten van Chili. Stel je voor dat er nog overlevenden rond dobberen op die zee daar.

Ze liet zich geruststellen door een voorlichter op Schiphol. Het vliegtuig was door de klap die het gemaakt had op zee door midden gebroken. Voor de kust tussen de eilandengroepen stond een sterke stroming. Naar alle waarschijnlijkheid waren de personen die niet geborgen zijn uit het toestel gezogen door de sterke stroming. In dergelijke gevallen spoelden de lichamen na verloop van tijd aan op de stranden in de buurt.

Na alle formaliteiten bleken er volgens het identificatieteam van Chili toch drie doden uit Nederland bij te zijn. Achteraf bleek ook uit de black box dat het toestel zo snel gezonken was, dat er niets meer te redden viel.

Door een onderzoeksteam werd vastgesteld dat sommigen van de slachtoffers met het opgevouwen zwemvest nog in hun handen geklemd in de stoelen zaten.

Christien werd opgeroepen om haar man te identificeren. Ze ging samen met Patrick, maar wist wel dat hij er niet goed tegen zou kunnen. Als kind viel hij al flauw bij het zien van een druppel bloed.

Twee functionarissen van de politie waren aanwezig. Een man in een witte jas deed één van de roestvrijstalen deuren open en rolde een brancard naar buiten. Onder een wit laken lag iemand, dat kon je zien aan de vormen. Haar maag draaide om en ze had de neiging rechtsomkeert te maken. Patrick pakte haar hand en ze keek hem aan.

“Ik wil hem niet dood zien Patrick,” fluisterde ze in de steriel betegelde ruimte. Haar gefluister weerklonk tegen de tegelmuur. Eén van de politiemannen deed z’n pet af.

De man met de witte jas wenkte haar dichterbij. Ze kon zich niet bewegen. Het leek wel of ze vastgezogen zat aan de grond. Patrick stapte naar voren en trok haar mee.

De man haalde het bovenste gedeelte van het laken weg en ze keek in een gezicht dat voor haar totaal onbekend was.

Ze huiverde.

“Is dit uw echtgenoot mevrouw Galema?”

Ze schudde haar hoofd.

De man wendde zich tot Patrick: “Is dit uw vader?”

“Nee, beslist niet,” zei Patrick.

De man bedekte de dode weer en rolde hem terug achter de stalen deur. De sloten klikten en weerklonken in de stille ruimte.

De volgende rolde naar buiten. Christien hield haar adem in.

Paul, ik wil je niet dood zien, hamerde het steeds in haar hoofd. Ook deze dode was Paul niet.

De laatste moest hem nu wel zijn, want er waren maar drie Nederlanders aan boord van de Boeing.

Ze zette zich schrap, zuchtte diep en keek Patrick wanhopig aan.

“Mam, het moet,” fluisterde hij.

Ze knikte.

De man vouwde het laken terug.

Ze beheerste zich met alle kracht die in haar was en zette zich schrap voor de confrontatie haar Paul daar dood te zien liggen.

Ze gaf een gil en wankelde.

“Is dit uw echtgenoot mevrouw,” vroeg de man formeel, alle emotie negerend.

“Neen, dat is Paul niet,” schreeuwde ze de man toe.

“Hij is hier niet bij, geen van deze doden is mijn Paul.”

Patrick bevestigde het.

De man krabde zich op het hoofd en zei tegen de rechercheurs: “Als de man van mevrouw Galema er niet bij is, dan zitten we met een probleem. Het is onmogelijk dat hij nog behoort tot de slachtoffers uit het rampgebied, want die zijn daar allemaal geïdentificeerd.”

Die nacht bleef Els bij Christien slapen. Heel lang lag Christien wakker. Steeds zag ze, als ze haar ogen sloot, een deinende blauwe zee voor zich, witte stranden en palmbomen. Ze droomde met haar ogen open.

De volgende ochtend vertelde ze aan Els haar droom.

“Misschien is het een aanwijzing,” suggereerde Els.

Christien glimlachte. Ze geloofde niet in dit soort zaken.  Els was gek was op paranormale verschijnselen, horoscopen en wonderbaarlijke genezingen, wist ze.

“Misschien moet je eens een kaart kopen van het gebied waar het vliegtuig is neergestort.”
Na aandringen van haar vriendin kocht Christien een kaart van de omgeving van het rampgebied. Aanleiding was het officiële bericht dat Paul Galema tot de vermisten van de ramp met de Boeing behoorde. De luchtvaartmaatschappij betuigde haar medeleven. Hun verzekeringsadviseur zou de schadeformulieren en schadeclaims betreffende de slachtoffers in orde maken. Voor vermiste personen wordt een speciale procedure gevolgd.

Christien verzette zich er tegen en weigerde te aanvaarden dat vermist ook ‘dood’ betekent.

Met een detailkaart van het zeegebied waar de Boeing neergestort was op zak vertrok ze naar Santiago. Deskundigen had ze geraadpleegd, de stromingen bestudeerd en het advies opgevolgd om zelf eens ter plekke te gaan onderzoeken.

Ze vond het zot van zich zelf, maar diep in haar hart was ze er van overtuigd dat Paul nog leefde.

In de haven van Santiago vond ze een schipper, die bereid was met haar naar de eilanden te varen. Met dollars op zak bleek dat niet zo moeilijk te zijn.

Ze legde de man, die gebrekkig Engels sprak, uit wat de bedoeling was. Hij keek  haar medelijdend aan en begreep dat ze naar de plek wilde waar het ongeluk had plaatsgevonden.

“Misschien wilde de vrouw een laatste groet brengen haar gestorven man,” mompelde hij voor zich uit.

De plaats van het gezonken vliegtuig was vrij gemakkelijk te vinden. Het was afgezet met een aantal boeien.

Op de rustige zee voeren ze om de plek heen.

Christien pakte de kaart en bestudeerde aandachtig de details van de verschillende stromingen. Ze wees met haar vinger op de kaart de gang van de stroomlijn en vroeg aan de schipper: “Als je hier in het water terechtkomt en je zou kunnen blijven drijven, kom je dan ongeveer hier uit?”

Hij keek haar aan, begreep wat ze bedoelde, en schudde zijn hoofd.

“De stroom in dit eilandengebied van Desventurados is heel sterk. Er is daarom ook bijna geen mogelijkheid om aan te leggen. Alles wat zich in het water bevindt, wordt al gauw een speelbal van de stroom en meegezogen langs het eiland richting kust of misschien wel helemaal naar de Galápagos eilanden.”

“Wonen er mensen op dat eiland?”

“Voor zover wij weten niet,” antwoordde hij.

“Er zijn wel eens mensen gesignaleerd maar dat zijn geen vaste bewoners. Er staan geen huizen of hotels, alleen witte stranden en palmbomen.”
“Witte stranden en palmbomen,” zei Christien peinzend.

Ze pakte een velletje papier uit haar tas en schetste voor hem haar droombeeld.

Hij knikte.

“Zo ziet het er uit, ja. Hoe weet u dat trouwens. Bent u er wel eens geweest?”

Ze gaf geen antwoord maar vroeg: “Kun je er heen varen en aan land gaan. Ik zal je goed betalen.”
Hij lachte en tikte aan z’n pet.

“Zoals u wilt mevrouw.”
De kustwacht had het eilandengebied nauwkeurig uitgekamd, zonder resultaat. Aan de kust van Peru waren later nog drie lichamen van de ramp aan gespoeld. Dat waren vrouwen.

Desventurados behoorde net als de Juan Fernandez eilanden, het bekende eiland van Robinson Crusoë, tot Chili. Dat eiland kwam voor het onderzoek niet in aanmerking omdat vanuit de rampplaats gerekend de stroom de andere kant op gaat.

Palmbomen wuifden in de wind. Het uitzicht op het witte strand en de prachtige blauwe zee was een paradijselijk schouwspel.

Onder protest was de schipper, Fernandez heette hij, mee aan land gegaan.

“Een schipper laat nooit z’n schip alleen,” zo zei hij.

“Dan haal je toch het sleuteltje uit het contact, dan kan niemand er mee wegvaren,” opperde Christien.

De boot lag voor anker rustig in de zee te dobberen. Ze roeiden in de kleine sloep naar het strand.

“Uitgestorven,” zei Fernandez.

Christien tuurde het strand af met haar hand boven haar ogen.

“Geen enkel teken van leven te herkennen. Ik wil het bos in en een stuk van die berg op klimmen,” zei ze tegen de man.

Twijfelend keek Fernandez naar zijn eenzaam dobberende boot, trok toen toch de sloep op het strand en volgde haar. Christien herkende het gebied uit haar dromen. Nooit had ze zoiets willen geloven. Nu was haar visioen het enige aanknopingspunt, het enige houvast.

Het eiland was slechts tien kilometer breed en zestien lang, een bergachtig gebied. Na een half uur gezwoegd te hebben door het dichte bos, kwamen ze bij een open plek. Een waterval kletterde in een meertje dat zo groot was als een flink zwembad. Christien proefde het water, heerlijk zoet water. Ze dronken er beiden van en rustten wat uit.

‘t Was erg warm. Christien deed haar zonnebril af en veegde het zweet van haar gezicht. Net toen ze de bril weer wilde opzetten, zag ze langs de kant van het meertje een hel oranje gekleurd doekje liggen.

Haar hart sloeg een slag over. Ze holde er heen en raapte het op. Het was een stuk zeildoek dat van een oranje zwemvest geweest kon zijn.

‘t Zou aangespoeld kunnen zijn, tenslotte was de zee vol met dit soort rommel. Ze verwierp die gedachte ook weer onmiddellijk. Ze stak het lapje in haar zak.

Zo liepen ze een aantal kilometers landinwaarts. Een vreemde rooklucht, alsof er ergens een smeulend vuur was, snoof ze op. Of verbeeldde ze zich dat maar.

“Kom we gaan terug,” riep ze naar Fernandez.

“Ik wil om het eiland heen naar de andere kant. Vanaf het schip tuurde ze met een verrekijker het eiland af en meende rook te zien. Aangekomen aan de andere kant ontdekten ze twee zwarte jongens in een piepklein, zelfgemaakt bootje, die een visnet binnenhaalden.

“Die kunnen met dat bootje niet van de vaste wal gekomen zijn,” merkte Fernandez op.

“Bedoel je dat ze hier moeten wonen,” vroeg Christien.

“Dat moet haast wel,”  gaf de schipper terug.

De jongens waren nogal schuw. Fernandez riep ze wat toe en de jongens kwamen dichter bij.

Hij vroeg ze in hun eigen taal of ze ook een blanke man gezien hadden met een oranje zwemvest.

Ze knikten ijverig.

“Wat zeggen ze Fernandez, hebben ze een blanke man gezien?”

Hij bevestigde dat en haar hart sprong op.

 

De jongens brachten hen via een slingerpaadje naar een kleine nederzetting. Fernandez stelde de jongens allerlei vragen. Ze kwamen uit Ecuador maar vanwege de terreur en onderdrukking waren ze gevlucht en via Peru hier terechtgekomen. Hier waren ze hun eigen baas. Soms ontmoeten ze vluchtig wel eens blanken of andere vreemdelingen. Meestal gingen die toch weer snel weg.

Een paar maanden geleden waren hier veel mensen van de politie geweest, in prachtige uniformen. Ze hadden zij zich schuil weten te houden. De rook die te zien was vanaf het schip kwam van een vuur dat voor het eten koken werd gebruikt.

“Fernandez, vraag eens waar de blanke is?”

De jongens riepen een naam en een vrouw kwam uit één van de bladerhutten. Een mooie donkere, jonge vrouw. Christien liep op haar af, pakte het oranje lapje uit haar zak en hield dat de vrouw voor.

Fernandez gaf uitleg in ‘t Spaans. De vrouw knikte en wenkte haar om binnen te komen.

Op een bed van gevlochten palmbladeren zat een man. Hij zat half rechtop en zijn been was gewikkeld in een soort verband van gekleurde lappen.

Zijn bebaard gezicht en lange haren bezorgden hem een wilde uitdrukking.

Christien knielde bij de man neer, drukte hem tegen zich aan en fluisterde: “Paul, o Paul. Ik heb je gevonden. Ik heb altijd geweten dat jij nog leefde.”
“Is dit uw man,” vroeg Fernandez verbijsterd.

“Ja,” snikte Christien, “dit is mijn man, mijn Paul.”

Ze streelde zijn baard en vroeg: “ Paul, waarom zeg je niets. Ik ben het, Christien. Ik neem je mee naar huis.”
Hij keek haar nietszeggend aan en mompelde iets in het Spaans.

De mooie jonge vrouw vertelde dat ze deze man aan het strand gevonden had. Bewusteloos en gewond, zo’n vijf maanden geleden. Ze had hem meegenomen en verzorgd. Op de vraag wie hij was en hoe hij hier was gekomen heeft hij nooit antwoord gegeven. Ze dacht dat hij misschien een ontsnapte gevangene was. Dus toen de politie aan land kwam, hebben we hem verborgen gehouden. Ze keek liefdevol naar de man op het bed.

“Zijn been is nu zo goed als genezen. Ik heb mijn man verloren in Ecuador en heb deze man, Juan, er voor teruggekregen. Vier weken geleden zijn we naar onze huwelijkswetten met elkaar verbonden.”

Ze straalde.

Christien was sprakeloos.

“Fernandez, zeg tegen haar dat deze man al vijfentwintig jaar mijn echtgenoot is en dat ik hem nu kom ophalen.

Behoedzaam stond de man, die Paul moest heten, op. Hij pakte een kruk van bamboestokken en liep naar buiten.

Wat was hij mager geworden. De aanblik sneed door haar hart.

Paul, alias Juan gaf een bevel aan een paar meisjes die even later met een koele drank in bamboebekers aan kwamen dragen.

“Ga zitten,” gebaarde hij naar Christien en Fernandez. In ‘t Spaans stelde hij vragen, die Fernandez voor haar in gebrekkig Engels vertaalde.

“Hij denkt er niet aan om met een stelletje vreemdelingen, die hij niet kent, mee te gaan. Hij woont hier al jaren op het eiland. De naam Christien zegt hem niets en het is een belachelijke gedachte dat hij ooit getrouwd is geweest met een ander. Dit is zijn vrouw, Marjosja, en zijn naam is Juan.”

Christien begon in het Nederlands tegen Paul te praten. Ze was teneinde raad.

“Paul, je bent verongelukt met een vliegtuig op weg naar Santiago. Je bent in zee terechtgekomen en aangespoeld op dit eiland. Je bent Nederlander en vader van Patrick en Daniël. Als je je dat niet meer herinnert, is er iets met je aan de hand. Je bent je geheugen kwijt.”
Hij keek haar verdwaasd aan, begreep haar verhaal niet, stond op en liep weg. Christien stond op en liep hem achterna. Ze pakte zijn arm en hield hem staande.

“Paul, alstublieft ga met me mee terug naar huis, naar Nederland, naar je jongens.”
Marjosja kwam aanlopen en stortte een vloed van scheldwoorden over haar uit.

‘t Was haar man en ze wilde niet nog eens haar man kwijtraken.

“Je ziet dat hij niet mee wil mevrouw,” begon Fernandez. “We moeten gaan als we voor ‘t donker de haven willen binnenlopen.”

“Ik wil het zwemvest waar dit stukje vanaf gescheurd is als bewijs mee,” riep Christien.

Eén van de jongens kwam er mee aandragen. Met grote letters stond er ‘Venezuela Airways’ op.

Christien liep naar Paul, liet het zwemvest zien en zei: “Dit heb je aan gehad.”

Hij keek haar koel aan, draaide zich om en liep weg.

Christien probeerde de Chileense autoriteiten ervan te overtuigen dat ze haar man gevonden had, die als vermist te boek stond. Ze begrepen niet waarom de man dan niet met haar mee teruggegaan was. Dat zwemvest betekende niets. Na de ramp waren er veel zwemvesten aangespoeld.

Ze vonden het een vreemd verhaal en wilden geen medewerking verlenen omdat de zaak ‘Boeingramp’ gesloten was.

Christien vloog naar huis en vertelde haar ongeloofwaardig verhaal.

“Mam, we kunnen toch aan de Nederlandse autoriteiten vragen of ze willen meewerken pappa hier te krijgen? Tenslotte is hij nog steeds vermist. Als hij hier behandeld wordt, krijgt hij misschien z’n geheugen weer terug.”

Na een lijdensweg van bureau naar bureau en van Justitie naar Buitenlandse Zaken was het eindelijk zo ver dat de autoriteiten van Chili wilden meewerken de zogenaamde Paul Galema uit te leveren aan Nederland.

“Alsof hij een misdadiger is,” zei Christien verontwaardigd.

“Mam, rustig nou. Doe nou maar wat ze zeggen, dan heb je kans dat hij hier ooit terugkomt.”
Patrick zou meegaan naar Chili en als tweede getuige, Els. De overheid had geëist dat twee mensen de man moesten herkennen als zijnde Paul Galema. Christien had hen voorbereid op de situatie dat ze hem misschien niet direct zouden herkennen met zijn lange haar en z’n ruige baard.

Ze had voor elkaar gekregen bij Buitenlandse Zaken dat er ook een arts mee zou gaan voor de eventuele medische problemen.

Na de lange reis naar Santiago en de oversteek naar het eiland ging het kustvaartuig voor anker op dezelfde plaats waar een half jaar geleden Fernandez ook zijn boot gelegd had. Hij was nu mee als gids.

Ze stapten in een kleine sloep en roeiden naar het strand. Fernandez wist alle plaatsen perfect aan te wijzen.

Christien hoopte dat Paul haar nu wel zou herkennen. Wie weet, misschien was z’n geheugen teruggekeerd en zat hij smachtend op een boot van de vaste wal te wachten. Officieel was het eiland onbewoond. Dus een verbinding met de vaste wal was er niet.

De twee functionarissen van de Chileense overheid vonden het een vreemde onderneming. Ze moesten een man ophalen, die zei dat hij die man niet is.

Els en Patrick zaten in grote spanning. De arts was een rustig man. Na diverse gesprekken was hem het hele verhaal duidelijk en had hij uitgelegd dat het heel goed mogelijk is voor langere tijd je geheugen kwijt te zijn. Meestal kwam dat voor na een ernstig ongeval of een zeer traumatische gebeurtenis.

Hij sprak een beetje Spaans waar Christien erg blij mee was. De twee beambten begrepen er na zijn uitleg toch ietsje meer van.

Fernandez gidste hen feilloos naar de nederzetting. Christien zag Paul al van verre. Hij zag er nog het zelfde uit. Een haveloze, mank lopende, gebogen gestalte.

“Mijn hemel,” riep Patrick, “mam, is dat pappa?”

“Ja jongen, dat is hij.”
De man die Paul was, kwam het gezelschap tegemoet en vroeg in ‘t Spaans wat ze wilden.
“We komen u ophalen tenzij u zich kunt legitimeren als de persoon die u zegt te zijn.”
Lange tijd keek Paul Christien aan en de hoop ontvlamde in haar hart.

“Paul, ga je mee met ons,” zei ze zacht.
Patrick stapte naar voren. Hij had de man herkend als zijn vader.

“Pap, we hebben je gemist. Kom met ons mee naar huis.”
Els had tranen in haar ogen en bevestigde dat deze man Paul Galema was.

“Hoe is het mogelijk Christien, dat je hem op deze godverlaten plaats gevonden hebt?”

“Door jou. Jij zei dat mijn droom een aanwijzing was.”

De kustwachtbeambten vroegen de man, die zei ‘Juan Buenos’ te heten, naar zijn papieren.

De man gaf een bevel en de mooie donkere Marjosja kwam naar buiten met een mapje papieren. Lange tijd bestudeerde de functionaris de papieren en gaf ze daarna aan zijn collega. Doodstil stond iedereen te wachten.

De spanning was te snijden.

Christien keek naar Paul. Zijn blik was onverschillig en koel op haar gericht. Het deed haar pijn van binnen. Ze keek naar Patrick, die niet kon bevatten dat zijn eigen vader hem niet herkende. De arts hield zich op de achtergrond.

Els, Patrick en Christien verklaarden dat deze man Juan Buenos, Paul Galema is.

De beambten kwamen tot de conclusie dat de papieren in orde waren. De man Juan Buenos had een paspoort op zijn naam met pasfoto, een geldige verblijfsvergunning en een beëdigde verklaring dat als de rust zou zijn weer gekeerd in zijn land, hij met vrouw en kinderen zou terugkeren naar zijn geboorteland Ecuador.

De arts vertaalde het verhaal.

“Dan rest ons nog u te vragen of u vrijwillig met ons mee wilt gaan om u te laten behandelen, daar we vermoeden dat u aan geheugenverlies lijdt. U bent herkend door drie mensen, als zijnde de Nederlander Paul Galema.”

Doodse stilte.

Luid en duidelijk klonk het in ‘t Spaans: “Ik weiger mee te gaan. Mijn naam is Juan Buenos. Dit is mijn voorlopige verblijfplaats en mijn vaderland is Ecuador. Dit zijn mijn vrouw en kinderen. Ik blijf hier. Het ga u goed.”

Hij draaide zich om en keerde hen zijn rug toe.

Op dat moment begreep Christien de droom die ze vannacht gedroomd had. In die droom liep ze door de woestijn, een lange eenzame weg.

Alleen.

 

 

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

login