Ontmoeting in Thailand

gepost door op 7 feb 2012

 

Bij een temperatuur van 35 graden lig ik aan het zwembad van een gigantisch 5 sterren hotel met een aantal blanke landgenoten. De exotische rust is weldadig na de 14-daagse trektocht door Thailand. Sudderend in de tropische hitte van deze continue sauna trekken de opgedane indrukken en beelden aan mijn gesloten ogen voorbij.

De indrukwekkende schitterende tempels, de gouden Boeddha. De onvergetelijke boottocht op de Chao Prayarivier.

Ik voel weer het brok in m’n keel dat ik had bij de rivier de Kwai en  de dodenspoorbaan in Kanchanaburi. Mijn benen op de ligstoel registreren onwillekeurig het lamme gevoel van de onbarmhartige hitte bij het lopen van de Hell Fire Pass in het voetspoor van de 16.000 geallieerde krijgsgevangenen  bij de Birma spoorlijn.

Achter mijn gesloten oogleden begint het te branden. Een traan vermengt zich met de andere druppels op mijn gezicht.

Ik open mijn ogen als een krijsende papagaai boven mijn hoofd in de palmboom gaat zitten. Tijdens de tocht door de jungle in een longtailboot waren deze fel gekleurde vogels in grote getale aanwezig. Op de rug van een lange rij olifanten had onze groep reizigers zijn bestemming in het oerwoud bereikt. Dan de hete nacht midden in de jungle in een bamboehut, waar het geluid van spelende apen op het dak me ’s ochtends wekte.

Voor ik me in het zwembad laat zakken, dat slechts enkele graden lager is dan de buitentemperatuur, kijk ik toch even of er niet iets in zwemt dat groen en groot is. Ondanks de hitte krijg ik kippenvel.

Het staat nog op m’n netvlies. Ik voel dezelfde spanning in m’n kuiten als toen we stroomafwaarts op een bamboevlot de rivier afdreven, dwars door het oerwoud.

Ineens lagen daar die grote beesten in de zon.

‘Die komen niet in het diepe,’ had de gids gezegd. ‘Krokodillen pakken hun prooi in ondiep water, nemen het tussen hun kaken en slaan het dood op de bodem van de rivier.’

De bar in het zwemparadijs is zwemmend te bereiken, er is nog een plaatsje in het water vrij. Ik bestel een pilsje in een gekoeld glas. Naast mij zit een man, ik schat hem tegen de vijftig. Hij nipt aan zijn cocktail en vraagt zonder me aan te kijken: ‘Hoe bevalt Thailand.’

‘Ja,’ zeg ik m’n vingers losmakend van het bevroren glas, ‘eigenlijk wel goed, de Thai is een gastvrij, vriendelijk en geduldig mens, vindt u niet.’ Mijn antwoord slaat kennelijk aan want hij draait zich naar mij toe. Ik ontmoet een paar lichtblauwe ogen met een melancholieke uitdrukking.

‘Ik ben het met u eens,’ zegt hij, ‘ik ben al 16 jaar met een Thaise getrouwd. Ik kom hier ieder jaar. Mijn vrouw is op bezoek bij haar familie, dicht bij de grens van Laos, zo’n 800 kilometer hier vandaan. Haar moeder is ernstig ziek.’

‘Moest u niet met haar mee dan.’

‘Nee, de regentijd komt er aan en dan wemelt het er van de schorpioenen. Die beesten voelen de vochtigheid aankomen en kruipen dan omhoog naar drogere plekken. En zo’n droge plek is veelal de woning. Mij niet gezien bij al dat ongedierte.’

Ik laat me met mijn pilsje tot mijn kin in het water zakken en zeg lachend: ‘Groot gelijk, het is mijn lievelingsdier ook niet.’

Plotseling begint de man te trillen.

‘Je hoeft niet bang te zijn hoor, hier zitten ze niet,’ zeg ik en neem een flinke teug uit mijn glas.

Hij glimlacht flauwtjes en zakt onder water. Te lang blijft hij onder water. Zonder na te denken, trek ik hem boven water. Hij heeft een blauwige kleur gekregen en ik zeg tegen een paar mensen: ‘Help me even deze man uit het water te halen.’

Reanimatie helpt, hij komt bij.

Ik dek hem toe met mijn badlaken en zeg tegen de omstanders: ‘Bedankt, ik zorg verder wel voor hem.’ Hij glimlacht naar me en ik heb de vraag nog niet over mijn lippen of hij zegt: ‘Geen dokter alsjeblieft.’

Ik ga op het ligbed naast hem zitten, hij steekt zijn hand uit en zegt: ‘Henk is mijn naam.’

Met mijn natte hand in de zijne zeg ik: ‘Noem mij maar Yvonne.’

Een bediende brengt ons een karaf gekoeld water en vers klaargemaakt exotisch fruit.

‘Het is al een paar maal eerder gebeurd,’ zegt Henk en hij wijst naar zijn hart.

‘Is het misschien beter om je vrouw terug te laten komen?’

‘Nee beslist niet, zij is er veel erger aan toe dan ik. Ze heeft een agressieve vorm van kanker en is al 6 jaar bezig met chemokuren. Ik maak me zorgen over haar. Een half uur geleden heb ik ontdekt dat ze haar medicijnen vergeten is. Met deze vorm van kanker kan dat met een paar dagen fataal zijn.’

‘Kan ze deze medicijnen misschien onderweg kopen?’

‘Nee, dat is hier in Thailand onmogelijk.’

Henk begint te hyperventileren en ik maan hem tot geconcentreerde ademhaling. Het helpt en hij kijkt mij dankbaar aan.

‘Het enige wat ik kan bedenken,’ zegt hij moeilijk, ’is om haar achterna te reizen en de levensreddende medicijnen te brengen.’ Hij begint weer te trillen.

‘Maar het is ook een onmogelijke reis, eerst per trein dan per longtailboot, dan met een pick-up, daarna de rivier af op een bamboevlot. Het dorpje ligt in het oerwoud aan de rivier tussen watervallen, wildwaterstromen en stroomversnellingen. Yvonne ervaart Thailand als adembenemende schoonheid. Voor Henk is het een beangstigend gebied.’

Zijn angst voor schorpioenen, slangen en andere stekende en bijtende beesten verlamt hem. Het trillen wordt erger.

‘Wat bedoel je met beangstigend gebied?’

‘Dat kan ik niet zeggen dat is te erg voor woorden.’

‘Zeg het toch maar, het geeft lucht en dat heb je nu nodig. Ik luister.’

Hij neemt een slok water, zucht diep en begint te vertellen.

‘Ik kan al tijden niet slapen en zeker niet als ik hier in Thailand ben. Voortdurend heb ik nachtmerries, ik durf mijn ogen niet eens dicht te doen.’

‘Waar droom je dan van?’

‘Van geesten, doodsbeenderen en schedels. Ze bedekken me en nemen me levend mee in hun graf.’

Hij slaat z’n trillende handen voor zijn ogen en huilt, zacht en angstig alsof hij bang is dat iemand hem kan horen. Dan snuit hij zijn neus en vertelt verder.

‘Na ons huwelijk zijn Tjaimae en ik elk jaar naar Thailand gegaan om de familie te bezoeken.

Er ontstond vriendschap tussen mij en haar broer Ponchai. Hij had een bedrijfje en repareerde fietsen en brommers. Hij leerde mij de Thaise gewoonten en tradities, die zijn bij elke stam verschillend en gebaseerd op hun religieus beleven. Op een dag kregen we, thuis in Nederland, telefoon via het stamhoofd dat Ponchai ernstig ziek was. Ik probeerde via de dichtstbijzijnde post van Artsen zonder Grenzen hem in een ziekenhuis te krijgen. Maar het dorpje ligt te afgelegen, het is een te lange onmogelijke reis voor een doodzieke man. Hij is de derde dag na het telefoontje al gestorven.

Nu is het zo dat een Thaise rouwceremonie pas gehouden kan worden als alle familieleden aanwezig zijn. Dat is van essentieel belang voor de zielsrust van de overledene.

Wij waren net geweest, ik had geen verlofdagen meer en Tjaimae was te ziek om de reis nog eens te maken. We beloofden de familie dat we over een half jaar zouden komen voor de rouwceremonie.

Nu is het zo dat de doden in zo’n warm land dezelfde dag nog verbrand worden. Maar als de familie niet compleet is verbranden ze alleen het vlees. De botten worden dan onder een laagje zand weggelegd zodat de honden er niet mee kunnen gaan lopen.

De traditionele begrafenis duurt drie dagen en nachten aan één stuk door met allerlei rituelen.

Ik was de eregast en mij werd de eer gegeven om de opgegraven botten aan elkaar te leggen. Samen met de familieleden moest ik passen en meten voor we het skelet van mijn zwager weer aan elkaar kregen. Het is van het grootste belang dat elke wervel en elk bot op de juiste plaats liggen. De eregast mocht het belangrijkste onderdeel op z’n plaats leggen.

De schedel. Ik moest met beide handen de schedel van hem uit het zand halen en tegen de nekwervels aanleggen. Op het bed van takken en bladeren, versierd met bloemen legde ik ogenschijnlijk kalm het doodshoofd op de oorspronkelijke plaats.

De aanraking met het koude bot deed me verstarren, maar ik volbracht mijn taak als eregast.

Tijdens het zingen, dansen, eten en drinken ging de kou die mijn hele lichaam in bezit genomen had langzaam weg.

Maar de aanraking, het koude bot, het losse hoofd komen elke nacht terug in een vreselijke droom. Het kan zijn dat de geest van de dode gevoeld heeft dat ik bang was en dat daardoor de ceremonie niet ten volle geslaagd is. Hij kan dan ook niet reïncarneren, zoals de Hindoe gelooft. Zijn geest laat mij niet met rust en wakkert elke nacht mijn angst aan. Tjaimae begrijpt me niet, zij mag niet over de dode praten. Ze luisterde wel naar mijn geloofsbeleving en de gedachte aan God en de hemel.

Maar mijn voorbeeld van leven in angst is beschamend en van weinig kracht. Ik wilde haar zo graag respecteren en de tradities eerbiedigen.

Ik ben na de ceremonie nooit meer naar het ouderlijk huis van Tjaimae geweest. Zij gaat alleen en ik blijf hier.

Mijn keel knijpt dicht als ik er aan denk dat ik daar nu naar toe moet.’

Hij slaat zijn handen voor zijn ogen, maar laat ze langzaam zakken en kijkt Yvonne aan.

‘Ik heb geen keus,’ zegt hij. Ze ziet de angst in zijn ogen. Dan zegt ze zonder nadenken: ‘Zal ik met je meegaan?’ Die blik zal ze nooit vergeten. Langzaam verandert de donkere angst in zijn ogen in hoopvol blauw.

De morgenstond heeft goud in de mond ook in Thailand. Henk en Yvonne reizen samen dwars door het prachtige land. Ze overnachten in een nederzetting bij vriendelijke mensen.

Yvonne bedenkt dat haar verpleegopleiding van jaren geleden nog waardevol is in deze omstandigheden. Maar een medicijn tegen verlammende angst heeft ze niet.

Vol ontzag kijkt ze vanaf het vlot naar een koppeltje krokodillen.

‘Die kunnen net zo dodelijk zijn als een schorpioen’ zegt ze quasi nonchalant.

‘Er bovenop gaan zitten en z’n bek dicht binden,’ zegt Henk.

‘Heb je dat wel eens gedaan.’

‘Nee, wel van dichtbij gezien’.

Ineens worden ze meegenomen in een stroomversnelling en laten de krokodillen achter zich.

Yvonne zucht, wat doe ik hier, wat bezielt me. Het onverwachte avontuur of de man? Ze probeert haar gedachten te ordenen. Was het niet te impulsief om zomaar mee te gaan?

Henk zit in kleermakerszit op het gevlochten  bamboevlot. Hij staart naar de Thaise jongen die behendig met een stok het vlot door de stroomversnelling loodst.

Yvonne komt bij hem zitten. Haar broek is doordrenkt van het water dat tussen de bamboestengels door komt. Ze ziet de angst in de ogen van Henk steeds groter worden naarmate ze dichterbij hun doel komen.

‘Waar ben je zo angstig voor Henk. Ben je bang haar dood aan te treffen?’

Het woord ‘dood’ brengt hem in actie.

Hij vertelt.

‘Ik ben docent informatica in Delft. Na mijn studie ben ik daar begonnen. Door de tijd heen trouwden bijna al mijn collega’s. Ik heb wat feesten en trouwerijen meegemaakt, maar voor mij was er nooit iemand. Ik bleef de eeuwige vrijgezel.

Op m’n 32ste wilde ik ook wel eens wat met een vrouw proberen. En met een stel vrienden maakte ik een uitstapje naar de wallen.

Ik ben daar tot over m’n oren verliefd geworden op een Thais meisje dat daar illegaal zat en gedwongen werd tot prostitutie.

Je moet weten dat er een heel netwerk is van criminelen dat deze meisjes hier uit de dorpjes haalt, hen gouden bergen belooft en tegen hun ouders zegt dat ze in de horeca gaan werken.

De meisjes sturen hun ouders geld en deze geloven dat het hen goed gaat. Maar met deze meisjes gebeuren de meest gruwelijke dingen.

Tjaimae, die nu al 16 jaar mijn echtgenote is, was ziek toen ik haar in Amsterdam ontmoette. Ze had een baarmoederontsteking en toch werd ze gedwongen om te werken.

Ik kon het niet aanzien. We hebben alleen gepraat en ik beloofde hemel en aarde te bewegen om haar daar weg te krijgen.’

Yvonne zag hoe Henk zijn vuisten balde en onwillekeurig kreeg ze kippenvel. Het vlot dreef gladjes over de rivier en de oerwoudgeluiden overstemden het geruis van het water.

‘Via maatschappelijk werk, justitie en politie is het me uiteindelijk gelukt om haar in een ziekenhuis te krijgen. Ze was doodziek en ik dacht dat ze het niet zou halen maar ze heeft het gehaald.

We zijn getrouwd, alleen kinderen krijgen was niet meer mogelijk’.

Hij zucht en gaat even verzitten, neemt een slok water uit de fles en zegt toonloos: ‘De artsen vermoeden dat de kanker die nu in haar buik zit een voortvloeisel is van het seksueel misbruik tijdens de prostitutieperiode. Eigenlijk is die chemokuur een uitzichtloze zaak want genezen kan ze niet meer.’

Het vlot stoot tegen de zachte modderige kant van de rivier. Ik schrik, geboeid als ik was toen hij dit levensrelaas vertelde.

Henk betaalt de jongen en we groeten met het Thaise sawadi-crab waarbij je je handen samen doet en een lichte buiging maakt.

‘We moeten nu te voet deze berg over.’ Henk wees naar een dichtbegroeide heuvel: ‘Daar achter ligt het dorp. Hier neem deze stok.’

‘Waarom?’

‘Om de slangen van je lijf te houden.’

Nat van het zweet bereiken ze de top. Na een hangbrug over een kolkende rivier komen ze terecht op wat vlakker terrein. Hier wonen gevluchte Cambodjanen gebroederlijk samen met de Thaise bevolking in hutten van bamboepalen met riet gedekt. Kinderen spelen overal en kippen en varkens lopen er tussendoor.

Binnen no-time staat de hele dorpsgemeenschap om hen heen. Ze brengen Henk en Yvonne bij het stamhoofd. Zittend op de lemen grond vertelt de man dat Tjaimae stervende is.

Ik kijk Henk aan en hij zegt: ‘Ik wist het.’

Het stamhoofd brengt ze naar de hut van de moeder van Tjaimae. De ontvangt is ontroerend maar beheerst, alsof ze dit alles al wist. Henk begint te trillen en ik leg mijn hand op zijn arm en hij ontspant.

‘Je kunt het,’ zeg ik.

Hij knikt.

Ik wil buiten wachten, maar Henk neemt me mee het schemerige vertrekje in. Hij knielt en ik hoor een snik. Als mijn ogen aan de schemer gewend zijn, zie ik Henk zijn stervende vrouw optillen van het matje en in zijn armen nemen.

Hij prevelt voor mij onverstaanbare woorden. Woorden die een vredige glimlach op het gezicht van de stervende vrouw teweegbrengen.

‘Ze zegt dat ze de medicijnen met opzet heeft achter gelaten,’ fluistert hij met betraand gezicht.

Hij kust zijn vrouw voor het laatst.

Tjaimae fluistert: ‘Dag lieve Henk, mijn reddende engel. Ik ga naar de hemel van jouw God, waar zoals jij zegt, rust, liefde en vrede is. Ik zal jouw God vragen of Ponchai ook mag komen, zodat jij in vrede verder kan leven.

Cham Tei Coen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

login